5 tips voor het omgaan met een sterke wil

Sterke wil vurige kinderen

kind sterke wil

Het is een heerlijke vakantiedag. Jullie hebben een uitje gepland en gaan eerst om boodschappen voor de picknick op het strand. Jouw gezin stapt in de auto en iedereen gaat op zijn plek zitten. Na het bezoek aan de supermarkt gaan jullie naar een pittoresk plaatsje. Jouw kind komt gezellig naast je lopen en jullie eten broodjes op het strand.

Heeft jouw kind een sterke wil en behoefte aan autonomie? Dan verloopt jouw dag vast anders, want:

  • Jouw kind gaat de auto niet in
  • Wil absoluut niet mee om boodschappen
  • Heeft een duidelijke mening over wat hij wel wil doen
  • Gaat net iets verder bij jullie vandaan of harder lopen dan jullie willen
  • Wil de andere kant op
  • En laat dat HEEL duidelijk weten

Kinderen met een sterke wil weten wat ze willen, zien dit voor zich en proberen het te realiseren. Er zitten positieve kanten aan een sterke wil. Bij volwassenen waarderen wij eigenschappen, zoals doorzettingsvermogen, leiderschap en daadkracht. Als opvoeder kan het een uitdaging zijn. Naast strijd en discussies zijn er ook zorgen: Kan mijn kind later wel rekening houden met anderen? Hoe kan ik deze eigenschap op een positieve manier ontwikkelen, zonder dat het mij zoveel energie kost?

Sterke wil vurige kinderen

5 tips voor het omgaan met een sterke wil

  1. Geef jouw kind keuzes. Zijn er momenten of onderwerpen waarbij dit mogelijk is? Bij kleine kinderen begin je klein (wil je de rode of blauwe trui?) en grote kinderen betrek je bijvoorbeeld bij de keuze van eten, vakanties of uitjes.
  2. Initiatief, wilskracht en energie kan ook voor jullie werken. Geef jouw kind opdrachten en de ruimte om eens een keer de leiding te nemen. Laat hem kaartlezen of de route uitstippelen.
  3. Leg uit waarom iets niet kan of waarom jullie iets kiezen: ‘We gaan nu om boodschappen en een kasteel bekijken. Vanmiddag is het daarvoor te warm. Dan is het lekker weer om te zwemmen.’
  4. Hoor je jezelf vaak ‘nee’ zeggen? Denk dan eens kritisch na over jouw ‘nee’. Wat vraagt jouw kind en waarom? Wat kan er misgaan? Kan het onder bepaalde voorwaarden?
  5. Is het echt een ‘nee’? Kijk dan eens of je het woord ‘nee’ kunt weglaten.

Bijvoorbeeld: ‘Mam, ik wil nu zwemmen!’, ‘Vanmiddag na het uitje gaan we zwemmen.’ En in plaats van benadrukken van niet mag en kan, wat mag en kan hij wel doen?